dinsdag 11 oktober 2011

Turen in een vijver



Als ik het woord 'vijver' in een titel gebruik, lijkt het te gaan om een vijver in het algemeen, maar ik bedoel natuurlijk een speciale vijver, één die tot mijn verbeelding sprak, die iets in mij roerde en ik wil dat de lezer geraakt wordt. Ik kan uitleggen hoe groot de vijver is, hoe diep, hoe de randen gevormd zijn, wat er in rondzwemt of wat er bloeit. Maar ik ben geen makelaar die een huis met vijver wil verkopen in bondige taal. Nee, in een gedicht is weinig ruimte voor allerlei praktische gegevens. De wet van isolering en concentraties (Vestdijk) verbiedt dat. Ik kan als titel bijvoorbeeld 'Vijver Villa Hadriana' gebruiken. Kijk, nu heb ik een speciale vijver en de lezer kan via Google zelfs binnen een paar seconden een afbeelding vinden, maar daar heeft hij niet altijd zin in of de computer staat in een andere ruimte. Ik zal de vijver kleur moeten geven. In de beschrijving kan dat gebeuren, mits die nadere aanduidingen ook geconcentreerd zijn rond wat ik met die vijver of rond die vijver wil zeggen.

Vijver Villa Hadriana

Het water is groen, zonlichtgroen
tegen het donker van de bijgebouwen.
Hij staat er ontspannen te wachten
handen in zijn zak, overhemd
opgestroopte mouwen, vol in het licht.

Kijkt naar de overkant, niet naar de kleine
gans die aarzelt in het water.
De gans drijft op zijn spiegelbeeld
tussen dat van het beeld en de man
met zijn rugzakje, op zijn gemak.
Het beeld staat armloos, stijf, architraaf
nee, deel daarvan op zijn kop, al hoeveel jaar?

Kijkt naar de gans, naar het wisselend
spiegelbeeld en wil misschien wel vallen
in het lichte groen, verlost van de sokkel
zijn, nooit meer spiegelen, zodat de gans
opschrikt, wegvliegt, langs de man.

Er staat een hij-figuur te kijken bij de vijver, naar de overkant, naar een beeld. Het beeld kijkt naar de gans en wil verlost zijn van de sokkel, wil zich niet meer overgeven aan bespiegelingen, wil dat er een eind aan komt. Er is nog een beschouwer: de impliciete auteur, die gedeeltelijk samenvalt met de kijkende man. Waarschijnlijk denkt deze aan keizer Hadrianus, die zich na een veelbewogen leven als strijder en imperator en cultuurbrenger heeft teruggetrokken in de villa. Hij is verstijfd en verlangt naar verlossing. Nu valt op dat de bijgebouwen donker zijn en dat het water zonlichtgroen wordt genoemd. Ganzen bewaken een domein, maar deze gans drijft tussen het beeld van de levende man en het beeld van de keizer (?). De gans zal opschrikken van het vallende beeld en wegvliegen. Het onbewuste leven wil niet weten van de dood en misschien moet de man in zijn overhemd met de opgestroopte mouwen èn de impliciete auteur, dat maar volgen.

Vestdijk schrijft dat het gedicht zich isoleert: 'het geeft een stilstand te zien, een zwevende stilstand'. Poëzie concentreert op een klein bestek. Ook de herhaling, die schijnbaar tot omslachtigheid leidt, werkt mee aan de isolatie door de lezer iets in te prenten. De herhaling geeft een accent van geladenheid. Het gedicht is zowel beknopter dan proza als bloemrijker. Sommige details worden overmatig belicht. De zintuiglijkheid speelt een belangrijke rol. In bovenstaand gedicht gaat het vooral om visuele indrukken. Auditieve ontbreken; het is er zo stil als op een foto. De beknoptheid maakt poëzie strakker en stelliger dan proza, 'ja', zegt Vestdijk, 'zelfs zakelijker dan proza'. Er wordt meer weggelaten. Gebabbel is uit den boze. Poëzie mag niet redundant zijn; alles is informatie. In het gedicht is zo veel mogelijk informatie opgesloten, zonder dat deze uitgelegd wordt. Voor ongeduldige lezers is dat lastig. Zij storen zich aan wat ze onduidelijkheid noemen, maar als ze de moeite zouden nemen geconcentreerd te lezen en te herlezen, zouden ze een rijke ervaringswereld bloot leggen. Wat zich langzaam laat veroveren, geeft tenslotte een diepere beloning.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen