dinsdag 11 oktober 2011

Dichtwerk

Over de worsteling en de schoonheid van het dichten

Het hart in de lantaren

Beeldspraak is overdrachtelijk of figuurlijk taalgebruik. We
onderscheiden metaforiek, metonymie, symbool en personificatie.
Metaforiek berust op vergelijking. We vergelijken iets met iets
anders op grond van overeenkomst.
Ik citeer de eerste strofe van een zesdelige reeks 'uilen'van Arie
van den Berg:

die spotte met de lessen van de oude rot
ligt grauw gebald, ver van het leger: bont
en kraakbeen in een urn van vraatlust'

De dichter noemt een uilenbal 'urn van vraatlust'. Een uilenbal is
een braakbal en bevat de resten van gegeten muizen en andere
prooidieren. De overeenkomst ligt dus niet alleen in de ronde vorm,
maar ook in het betekeniselement 'dood'. Bovendien legt de dichter
met zijn van-bepaling de metafoor uit.

Een bekend voorbeeld van de ontwikkeling van vergelijking tot
metafoor is het volgende:
'Het ijs is zo glad als een spiegel.'; een vergelijking met 'als';
'ijs' is het object, 'spiegel' is het beeld en 'glad' is het derde
lid van de vergelijking, de relatie tussen object en beeld.
'Het ijs is een spiegel.'; vergelijking zonder als. Iedereen begrijpt
dat het ijs met een spiegel vergeleken wordt.
'De schaatsers zwierden over de spiegel'. Alleen het beeld is over;
de lezer begrijpt dat 'ijs' wordt bedoeld, ook door het gebruik van
het woord 'schaatsers'.
In dit voorbeeld is de metafoor niet meer verrassend; het is een
cliché geworden.

Een kind weet al wat een metafoor is, al kent het het begrip niet.
Een klein meisje zei eens tegen mij: 'De zon heeft een snor!' 'O
ja?', zei ik dommig. 'Ja', hielp ze, 'allemaal stralen' en ze
ondersteunde de uitleg met een gebaar. Een kleine jongen, maar het
mag ook een meisje zijn, pakt een blokje hout en rijdt er mee als een
auto. Hij of zij ondersteunt de vergelijking met broem-broem-geluid.
Wat is hier het derde lid van de vergelijking? De vorm.
De overeenkomst tussen object en beeld kan rijk of mager zijn. Bij de
oude reclame: 'Samson, een leeuw van een shag' kun je denken aan de
kleur, de kracht of het koninklijke, al zal men tegenwoordig liever
wijzen op het dodelijke.

Hoe vind je een originele metafoor? Door niet te zoeken. Je kijkt
naar de dingen, overdenkt gebeurtenissen, voelt een beweging en er
komt een vergelijking bij je op. Dit wordt sterk bepaald door je
lees- en leefervaring.

In een gedicht van Marjoleine de Vos vinden we oude en nieuwe
metaforen voor het hart in één strofe:
'Wat voelt dan, wat opent zich / namens mij die onbeholpen luistert /
naar wat binnen stijgt of zinkt / als jij het niet bent, hart,
onbestaanbare / meteropnemer, zetel van lukraak sentiment / naald die
uitslaat en waarschuwt: het voelt.'

'onbestaanbare meteropnemer', dat kun je niet zo gauw bedenken.

Metaforen hebben we soms nodig om uit te leggen hoe onbegrijpelijk
het allemaal is. Marjoleine de Vos vindt schrijnende metaforen,
bijvoorbeeld in het volgende gedicht: 'Vrouw met borsten van bloot
marmer'. Hier is in één metafoor het verdriet, de onmacht, de kille
vergeefsheid zó helder en naakt in beeld gebracht, dat bij de lezer
de adem even stokt. Wat een moed om het persoonlijke verdriet zó in
beeld te brengen! Niet sentimenteel, niet particulier, maar algemeen
persoonlijk, zo algemeen dat het voor een lezer navoelbaar en
merkwaardig genoeg herkenbaar is.

GESCHONDEN BEELD

De kleine hand op je huid is van een kind
maar er is geen kind, moeder, alleen
zijn hand vijf vingers laat je niet los.
Vrouw met borsten van bloot marmer
geduldig buig je naar de grond, zoek je
een zoontje maar het is te laat geworden
hoop je nog op zijn lieve kinderlijf.
Was hij er wel, de warme geborene
nu voorgoed verloren uit je armen?

Toch is zijn hand voor altijd bij je,
een al te zichtbaar teken, moeder
van een trouwe leegte, voedster
van niet te bewegen verlangen.

====

Hoe schrijf je een gedicht?

Meestal weet je wel waarover je moet schrijven. Waarom zou je het
anders doen? Maar stel voor: je wilt nu eens gewoon proberen een
gedicht te schrijven. Kijken of je het kunt. Wat is er voor nodig?
We kiezen 'de eigen omgeving' als uitgangspunt. Wat vind jij mooi,
belangrijk of lelijk in je eigen leefomgeving? Maak foto's van je
favoriete (of meest verafschuwde) plekken. Je kunt dicht bij huis
blijven, maar ook het landschap intrekken, de plaatselijke cafetaria
of het bejaardenhuis bezoeken.

Fotografeer vooral ook details! Je kunt met de camera gewoon een
'kiekje' maken, maar je kunt ook proberen de foto vanuit een ongewone
hoek te maken of heel dichtbij. Je kunt ook een klein stukje van je
onderwerp fotograferen. Dat is poëzie met beelden

Bij deze beelden ga je een gedicht schrijven.
Je kunt ook krantenfoto's en ansichtkaarten bekijken. Wat spreekt je
aan en waarom? Kijk goed wat je ziet en schrijf op wat je opvalt.
Schrijf ook wat je er van vindt, jouw persoonlijke gevoel bij een
foto of wat je wilt en waar je aan denkt.

Een gedicht is een momentopname in woorden.
Hoe kom je op gang? Heel eenvoudig: door je pen over het papier te
bewegen, of de toetsen op je computer aan te slaan. Niet te veel
nadenken. Schrijven! Schrappen doe je later. De censor in je hoofd
zet je even uit. Niet wachten op inspiratie. Die komt al schrijvend.

Wat is een gedicht?
Je kunt lange, ingewikkelde antwoorden geven op deze vraag. Je kunt
het voorlopig ook heel praktisch houden.
Een gedicht is een paar woorden bij elkaar in één of meer blokjes.
Het vertelt wat iemand heeft gezien, gevoeld, gedacht. Het vertelt
één klein verhaal met weinig woorden, die zorgvuldig zijn gekozen.

Een gedicht vertelt iets waar je zelf van alles bij kan verzinnen.
Een gedicht lijkt op een foto. Een verhaal lijkt op een film, met een
begin, een middenstuk en een slot.

Het gevaar is groot dat je je laat leiden door het rijm.
Bijvoorbeeld: de regel eindigt op 'arm' en jij schrijft ' en dan heb
ik het warm' of 'er gaat een alarm'. Je mag wel rijmen, maar dan moet
het kloppen met de inhoud.

Ga niet wachten op inspiratie. Dat weten alle kunstenaars. Inspiratie
moet je afdwingen door aan het werk te gaan. Denk niet dat je geen
mooie, persoonlijke gedachten hebt. Die hebben we allemaal! Denk maar
aan je dromen. Probeer bewust te dromen en gebruik niet meteen je
verstand om te beoordelen of het wel mag worden opgeschreven. Schrijf
gewoon wat in je opkomt. Niets is te gek in een gedicht. Alles is
mogelijk. Daarna kun je schrappen wat flauw is of wat te veel
uitlegt. Het gedicht wil graag een beetje geheimzinnig zijn.

Kan iedereen een gedicht maken? Kan iedereen een schilderij maken?
Ja, iedereen kan met verf iets maken dat je een schilderij zou kunnen
noemen. Iedereen kan ook een gedicht maken. Het hoeft immers geen
meesterwerk te worden. Maar je kunt wel aardige of interessante
gedichten schrijven.

Het belangrijkste is dat het gedicht een persoonlijk, eigen 'verhaal'
is.

==

Metonymia

Als ik zeg: 'Ik heb een Herman Brood', bedoel ik natuurlijk een
tekening of schilderij van de kunstenaar. Metonymie berust op
verschuiving; in dit geval van produkt naar maker.
Pieter Boskma schrijft: 'Toen zag ik je verlegen tegen mijn ooghoek
leunen'.
Een persoon wordt gezien in een ooghoek; een verschuiving van
blikveld naar deel van een oog. De dichter maakt die ooghoek heel
konkreet. Even verder in hetzelfde gedicht 'sloeg' (metafoor) een
lach van het ijs. De lach klinkt op uit de mond van een persoon op
het ijs.
Soms wordt de naam van een onderdeel gebruikt voor het geheel (pars
pro toto):
geschreven taal bestaat uit letters.'Zolang je letters leest werkt je
verstand.' (Menno Wigman)
Hilde Keteleer schrijft: 'We ontvangen een herderlijk schrijven / van
schaduw. Herinneren ons een hand / in de nek'. De hand in de nek
staat voor het dwingend gezag van een kerkelijk gezagsdrager.
Het omgekeerde is ook mogelijk (totem pro parte): 'daarbuiten staat
de wereld woest in bloei'. (Luuk Gruwez) Bedoeld wordt de natuur in
de wereld.
Een aandrijfvermogen wordt gebruikt als bepalende naam: 'vier en een
half volt legotreintje' (Tsead Bruinja).
Informatie en informatiedrager worden verwisseld: 'nerveus haalt hij
een wet te voorschijn' (Tsead Bruinja).
'een pad vervoerde een kar' (Juliën Holtrigter): drager en gedragene
verschuiven.
'dragen bomen herfst' (Luc Huybrechts): als gevolg van de herfst
kleuren de bladeren van de bomen.

Hoe vinden deze dichters de aangegeven metoniemen? Door ze niet te
zoeken. Het is raadzaam niet te kwistig te zijn met metaforen en
metoniemen: het gedicht wordt daardoor gewild, bedacht en voor de
lezer vermoeiend. Natuurlijk heeft zo'n oordeel veel te maken met
literaire smaak.


Ilja Leonard Pfeijffer houdt van woeste, onverwachte metaforen en
wonderlijke verschuivingen: 'poëzie is vuig portamento met vals
contrapunt / van een lui baldadig orkest dat aan bier denkt / is
volmondig met een vos onder de arm bruskeren / lichtvoetig de hoela
walsen / als een tuba die onder water / solo pogoot in de
spiegelzaal'. Portamento is het laten glijden van de ene toon naar de
andere bij zingen. Het geeft een bewust vals effect. Poëzie heeft
volgens de dichter veel te maken met vals spelen.

Heeft de dichter lang gezocht naar zijn beelden? Het werkwoord pogoën
kent hij uit de punkwereld (wild op en neer dansen).We kunnen niet in
zijn hoofd kijken, maar wel is duidelijk dat hij enige tijd heeft
gezocht naar bijeen passende metaforen. Hij weet ook heel goed wat
hij doet, blijkens zijn optreden als polemisch criticus. In 'Het
geheim van het vermoorde geneuzel' (2003), zijn poëtica, citeert hij
in het stuk 'De mythe van de verstaanbaarheid' een strofe van
hemzelf, die hij daarna parafraseert, om te laten zien hoeveel
interessanter en beter het gedicht is dan zijn parafrase.

'nu ben je ook een soort denker
want monden in donker geproefd betrekken de lucht
en blazen memorie aan en vermoeden
nu is kroniek meteen scenario
is kiezen balletje balletje en onderwijl wordt je zekere tred
uit je kontzak gelicht en je bent als bambi op het ijs
als rambo bij de russen'

'Het is een beetje bewolkt in mijn kop,
want ik heb in het donker een ander gezoend;
dat zet mij aan het denken:
over hoe dingen waren tot nu toe
en hoe ze zouden kunnen worden.
Wat moet ik doen? Evaluatie van het verleden
en plannen voor de toekomst
lopen door elkaar heen. Wie ik ook kies,
ik kies altijd de foute. Ik voel me onzeker;
ik sta wankelend in het leven
en ik wil dingen kapotmaken.'

De lezer zou ook kunnen denken en schrijven: ik dacht al dat de
eerste tekst opgesmukte trivialiteit was, maar de parafrase laat dat
ook zien.

Een andere dichter die zwelgt in woeste beelden is Joost Zwagerman,
die dan ook wordt bewonderd door Pfeijffer.
Het tuimelt in zijn nieuwe bundel van weetjes en bekende
wereldbewoners: 'Bij T-Mart ontvangt u / zestig melkwegpunten als u /
schappend stukjes buitenwacht / in uw singelasingelawinkelwagen
deponeert.' Zo begint de bundel en de lezer weet meteen waar hij aan
toe is. Een supersuper met kosmische dimensie en cocaïne. Het
bewustzijn trekt zappend langs alles wat te koop is en de commentator
is dol op neologismen. De dichter heeft alles in een roes geschreven,
ongetwijfeld met veel plezier om alle vondsten, gebruikmakend van een
grote kennis van de wereld van de voorpagina en
achtergrondinformatie. Het stikt in de bundel van modewoorden. In het
verhaal in verzen koopt Roeshoofd een bipolaire stoornis onder het
motto dat wie nooit de turbulente hoogten en diepten van de beleving
heeft opgezocht, ook het midden niet kan vinden. Maar al met al
vertelt Zwagerman een tamelijk vervelend verhaal, opgeleukt door
moderne weetjes, grappen en zogenaamd flitsende beeldspraak.
----

Wat is poëzie en hoe zien gedichten eruit? Wat is de essentie en hoe
is de techniek?

Als je wil uitleggen wat de essentie is, begin je al gauw te
stamelen. In laatste instantie lijkt die ongrijpbaar. Vestdijk noemde
de kern van poëzie De Glanzende kiemcel. Misschien is ze wel
onkenbaar. Toch proberen we zoveel mogelijk te verhelderen. Soms kun
je uitleggen waarom de ene regel mooier is dan de andere. Dat moeten
we dan maar doen. Soms kun je uitleggen wat het gedicht voor jou
betekent.

In deze stukjes bespreek ik beeldspraak, stijlfiguren, rijm, metrum/
ritme, strofenbouw en het belangrijkste: de geheimzinnige kern van
het gedicht.

==

Verzet tegen analyse

Wil de lezer wel uitgelegd hebben wat de betekenis is? Generaties
scholieren zijn voor de poëzie verpest door eigenwijze leraren, die
bij tentamens 'his masters voice' wilden horen. Je hoort wel zeggen:
leg het niet uit! Je verpest mijn emotionele beleving! Iemand
vergeleek de analyse van poëzie met vivisectie: je weet hoe het
konijntje er van binnen uitziet, hoe het functioneert, maar
ondertussen is het doodgebloed. Er is echter een belangrijk verschil.
Je klapt de bundel dicht, legt het blad met het gedicht uit zicht;
een dag later pak je het weer en daar staat het gedicht: ongeschonden.
Ja maar, hoor ik, mijn beleving is wel aangetast. Dat is waar. Het is
maar wat je wilt: onwetend, onkundig door het leven gaan of je
voordeel doen met de kennis van een ander. Die kennis hoef je niet
klakkeloos over te nemen, je moet haar kritisch beoordelen en als je
dat doet, groei je in bewustzijn.
Ik ben nog altijd de collega dankbaar die me naar Frank Zappa leerde
luisteren. Hij zei: 'Ga zitten, luister!' Af en toe zette hij het
geluid stil en zei: 'Hoor...herhaling of variatie of nieuw thema.
Hoor, hier pakt hij het melodietje op en doet er iets anders mee.'
Etcetera. Ik luisterde en hoorde het. Ik luisterde bewust naar de
muziek en hoorde de rijkdom, het raffinement.
Veel simpeler: iemand anders leerde me naar vogels luisteren. Toen
pas hoorde ik de verschillen. Later zag ik ze ook. Daarvóór leek ik
een beetje op de Amsterdammer uit de mop die twee vogels kende:
sijsies en drijfsijsies.

Wat wil je? Zelf alles uitvinden of gebruik maken van eerdere
ontdekkingen en verder zien te komen?
Ben je bang dat je geen eigen mening mag hebben, dat je als een slaaf
de opvattingen van je meester moet delen? Ben je bang dat je geen
eigen mening hebt? Hoe meer kennis je van iets neemt, hoe steviger je
eigen mening wordt.
Er zijn ook, overigens intelligente mensen, die zeggen: 'Als ik een
gedicht twee keer moet lezen om het te begrijpen, dan hoeft het van
mij niet meer.' Deze mensen zijn verloren voor de poëzie. Zij zijn
tevreden met grappige en/of sentimentele rijmpjes.

Verzet tegen betekenisgeving

Dan zijn er de dichters die zich verzetten tegen betekenisgeving.
Astrid Lampe lachte vaak tijdens mijn interview met haar, heel
aanstekelijk. Vooral tijdens het 'bespreken' van de gedichten. Ze
vindt, net als Arjen Duinker, mijn pogingen om ze te begrijpen
komisch. Ik moet de gedichten ondergaan, me er mee verstaan.

'Ah, daar is het woord 'begrijpen'! Deed het me wat, zou ik eerder
zeggen. In het begin dacht ik dat het bijna te abstract zou zijn,
maar na verloop van tijd helemaal niet meer.(Over Van Dixhoorn.) Toen
werd het zo helder als het maar zijn kan. (...) 'Begrijpen', dat is
een bepaalde attitude. Er zijn betere woorden: dat het je raakt of
dat je het verstaat, dat is minder ingevuld. Of: je er mee verstaan,
dat is nog meer de richting waarin ik het zou zoeken.'

Een dichter kan zich verzetten tegen betekenisgeving omdat het
'geheim' daarmee
'ontdekt' wordt. Ik meen dat de laatste sluier nooit kan worden
weggetrokken.

Vestdijk schreef in De glanzende kiemcel: 'dit hoort men wel eens
beweren: poëzie dient alleen maar te worden ondergaan, men moet er
zich niets bij willen denken, men moet maar luisteren en wegdromen;
en de wetten en regels der esthetiek zijn er misschien voor de
dichters zelf, maar niet voor de lezers en toehoorders. (...) ik ben
geen goede vriend van hen (die dat beweren), want ik pleeg ze altijd
op één lijn te stellen met lieden, wier muziekgenot onherstelbaar
bedorven wordt, wanneer men hen uitlegt wat een sonate of een fuga is
(...)'

'Een tekst kan poëtisch zijn en geen gedicht zijn, maar wat maakt een
tekst dan tot gedicht?'

Dat is een belangrijke, maar moeilijke vraag. Een tekst kan poëtisch
zijn door de verwondering die er uit spreekt; een niet alledaagse
kijk die niet let op nut, maar speels een verrassend beeld geeft. Ik
maak onderscheid tussen het woord 'gedicht' ( dit is een taalvorm,
die gekenmerkt wordt door concentratie, afgebroken regels, veel wit
en verrassend taalgebruik) en het adjectief 'poëtisch'.

De gedichten van Schippers bijv. zijn niet lyrisch (bezingend) maar
wel poëtisch, hoewel ze een nuchtere toon hebben. Zie ook
onderstaande tekst over poëtisch taalgebruik:
'Rozen en motoren' van Hans Verhagen, dat was destijds (1963) een
heel gewaagde titel in de Nederlandse poëzie. Kon dat woord 'motoren'
wel in een gedicht?

'Ja!' brulden degenen die de culturele ontwikkeling bijhielden. 'Wel
eens van futurisme gehoord?' hoonden ze er achteraan. In de Figaro
van 20 februari 1909 (!) stond 'dat de heerlijkheid van de wereld is
verrijkt met een nieuwe schoonheid: de schoonheid van de snelle
vaart.' 'Een renwagen waarvan de carosserie prijkt met dikke buizen,
als slangen met explosieve adem en ronkende automobiel, die lijkt te
lopen op mitrailleurvuur , is mooier dan de Nike van Samothrake.'
Marsman was onder de indruk en schreef ook ronkende gedichten die bij
de Nederlandse pubers in de 20e eeuw veel indruk maakten.

Nijhoff echter schreef zijn beroemde 'Impasse' met daarin de regels:
'vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf? /Juist vangt de fluitketel
te fluiten aan,'

Dat vonden vele toenmalige lezers ook raar: een fluitketel in een
gedicht!

Later kwam Lucebert met zijn beroemde: 'de ruimte van het volledig
leven tot uitdrukking te brengen': de Schoonheid had volgens de
experimentele dichter haar gezicht verbrand. Hij zette zich af tegen
de vorige literaire revolutie in Nederland, die van de Tachtigers,
die zo 'poëtisch' schreven. Frederik van Eeden bijvoorbeeld verfoeide
de naturalistische opvatting dat de kunstenaar de werkelijkheid
zonder vooropgestelde ideeën over wat mooi of lelijk, goed of slecht
is, moest onderzoeken en weergeven. Niet alleen de pracht van de
bloem diende getoond te worden, maar ook de slijkerige wortels
moesten zichtbaar zijn. Van Eeden daarentegen vond dat walgelijk: hij
eerde de waterlelie vanwege haar schoonheid en haar kuisheid.

Na Lucebert roemden de Rotterdamse dichters van Gard Sivik, Armando
en Verhagen, de schoonheid van de kraakinstallaties in Pernis. De
Zestigers uit Amsterdam, Bernlef en Schippers schreven hun Barbarber
vol met alledaagse, maar vervreemdende waarnemingen. Zij keerden zich
ook tegen metaforisch taalgebruik.

Een treffend voorbeeld is van Schippers:

'Opening van het visseizoen

Eindelijk buiten.

Water is water.

Riet is riet.

Een eend lijkt op een eend.

Maar nu begint mijn vader (62) weer.

Hij noemt waterhoentjes strijkbouten

en vindt dat de maan

ondergaat

als

de

zon.'

Oude mensen snappen het niet: zij blijven dingen met dingen
vergelijken. Schippers kiest voor eenvoudige taal, recht voor zijn
raap en geen gezeik. Het pesterige is echter dat hij in de vorm aan
het slot toch iets iconisch doet. Je zou het een vormmetafoor kunnen
noemen.

In juli 2001 publiceerde De Groene een poëzie-enquête met de vraag:

'Mag het woord 'ziel' in een gedicht voorkomen?'

De antwoordende dichters vonden in het algemeen dat er geen taboe op
bepaalde woorden mocht zijn. Pieter Boskma zei zelfs:

'Door de allergie voor grote woorden gaat veel poëzie nergens meer
over.'

Anton Korteweg schreef: 'Laten we ons vooral niet laten wijsmaken dat
bepaalde woorden niet mogen, of het nu 'ziel' is of 'lul''.

In 2005 verscheen De encyclopedie van de grote woorden van Mark
Boog, die opgewekt en ironisch en serieus aan de slag ging met
woorden als 'Geluk', 'God', 'Liefde', 'Waarheid' en 'Zinloosheid'.

In 2002 stond een stuk in Onze Taal van Ingmar Heytze: 'Een van de
helderste indicaties voor een kwalitatief goed gedicht is de geringe
concentratie van foute woorden. Een bindende definitie van zulke
woorden is niet te geven, maar de geroutineerde poëzieconsument
herkent ze onmiddellijk. Foute woorden hebben niet alleen een
verwoestend effect op een gedicht, maar ook op het humeur van de
lezer. Ze zijn te vaag, te weids, te hol of gewoon versleten door
overmatig gebruik. Ze zorgen ervoor dat het gedicht overhelt naar
overdreven tragiek, of juist als een willekeurige kubieke meter stank
in het luchtledige blijft hangen. '

Hij bedoelde woorden als: Afstand, Ademen, Conclusie, Individu,
Leegte, Ontwaken, Stilte en Wanhoop, maar ook een woord als Sneeuw
moest vermeden worden.

Patty Scholten meldde later: 'Ik erger me ook mateloos aan die
zogenaamd poëtische woorden. M.i. vervullen ze alleen een
signaalfunctie, zo van: "kijk, dit is poëzie!" Ik vind dat ook
"officiële dichters" zich aan het gebruik van dat soort woorden
schuldig maken.

Andere dichters zonden zogenaamde foute woorden in, soms zelfs een
woord als 'sla', maar dat was waarschijnlijk alleen maar omdat iemand
het beroemde Kopland-gedicht niet meer kon uitstaan. Er werden
uiteindelijk ruim tweehonderd woorden genoemd die volgens de
respondenten van Onze Taal fout zijn in een gedicht.

Henk Ruijsch reageerde in Meander. Hij vond bij Achterberg en
Andreus veel 'foute' woorden. Het lijkt duidelijk dat de keuze voor
een woord als fout veel te maken heeft met de poëtische opvattingen
van de dichter. Zo zullen de 'vijanden' van de zogenaamd hermetische
dichters Kouwenaar, Faverey en de door Zwagerman genoemde navolgers
of epigonen, wijzen op woorden als 'wit', 'stilte', 'leeg', 'men' en
'zich'. Volgende generaties zullen ongetwijfeld vallen over
populaire, hippe of modieuze woorden van Zwagerman, Pfeijffer,
Holvoet-Hanssen of Gerbrandy, om maar eens heel verschillende
dichters van nu te noemen.
=====

Het hart in de lantaren

Beeldspraak is overdrachtelijk of figuurlijk taalgebruik. We
onderscheiden daarbij metaforiek, metonymie, symbool en
personificatie. Metaforiek berust op vergelijking. We vergelijken
iets met iets anders op grond van overeenkomst.
De overeenkomst tussen object en beeld kan rijk of mager zijn. Bij de
oude reclame: 'Samson, een leeuw van een shag' kun je denken aan de
kleur, de kracht of het koninklijke, al zal men tegenwoordig liever
wijzen op het dodelijke.
Arie van den Berg dichtte ooit: 'die spotte met de lessen van de oude
rot / ligt grauw gebald, ver van het leger: bont / en kraakbeen in
een urn van vraatlust' (uit: 'uilen'). In dit gedicht noemt hij een
uilenbal een 'urn van vraatlust'. Een uilenbal is een braakbal en
bevat de resten van gegeten muizen en andere prooidieren. De
overeenkomst ligt dus niet alleen in de ronde vorm, maar ook in het
betekeniselement 'dood'. Bovendien legt de dichter met zijn van-
bepaling de metafoor uit.

Hoe kom je van vergelijking naar metafoor? Een bekend voorbeeld
hiervan is 'het ijs is zo glad als een spiegel.'; een vergelijking
met 'als'. 'IJs' is het object, 'spiegel' is het beeld en 'glad' is
het derde lid van de vergelijking, de relatie tussen object en beeld.
Stap twee. 'Het ijs is een spiege ' is een vergelijking zonder als.
Iedereen begrijpt dat het ijs met een spiegel vergeleken wordt.
Derde stap: 'De schaatsers zwierden over de spiegel'. Alleen het
beeld is over; de lezer begrijpt dat 'ijs' wordt bedoeld, ook door
het gebruik van het woord 'schaatsers'. In dit voorbeeld is de
metafoor niet meer verrassend; het is een cliché geworden.

Hoe vind je een originele metafoor? Door niet te zoeken. Je kijkt
naar de dingen, overdenkt gebeurtenissen, voelt een beweging en er
komt een vergelijking bij je op. Dit wordt sterk bepaald door je
lees- en leefervaring.
In een gedicht van Marjoleine de Vos vinden we oude en nieuwe
metaforen voor het hart in één strofe:
'Wat voelt dan, wat opent zich / namens mij die onbeholpen luistert /
naar wat binnen stijgt of zinkt / als jij het niet bent, hart,
onbestaanbare / meteropnemer, zetel van lukraak sentiment / naald die
uitslaat en waarschuwt: het voelt.'
'onbestaanbare meteropnemer', dat kun je niet zo gauw bedenken.
Metaforen hebben we soms nodig om uit te leggen hoe onbegrijpelijk
het allemaal is. Marjoleine de Vos vindt schrijnende metaforen,
bijvoorbeeld in het volgende gedicht: 'Vrouw met borsten van bloot
marmer'. Hier is in één metafoor het verdriet, de onmacht, de kille
verg eefsheid z- helder en naakt in beeld gebracht, dat bij de
lezer de adem even stokt. Wat een moed om het persoonlijke verdriet z
- in beeld te brengen! Niet sentimenteel, niet particulier, maar
algemeen persoonlijk, zo algemeen dat het voor een lezer navoelbaar
en merkwaardig genoeg herkenbaar is.

GESCHONDEN BEELD

De kleine hand op je huid is van een kind
maar er is geen kind, moeder, alleen
zijn hand vijf vingers laat je niet los.
Vrouw met borsten van bloot marmer
geduldig buig je naar de grond, zoek je
een zoontje maar het is te laat geworden
hoop je nog op zijn lieve kinderlijf.
Was hij er wel, de warme geborene
nu voorgoed verloren uit je armen?

Toch is zijn hand voor altijd bij je,
een al te zichtbaar teken, moeder
van een trouwe leegte, voedster
van niet te bewegen verlangen.

Acta est fabula

Het was de avond van het grote gebaar

links een witte gans
aan wie niets ontging, rechts daarvan
een prachtig paard met drie donkere kinderen
die hun hart in een lantaren droegen

op droeve muziek, danste
een goochelende arabier
wiens luide kreten ontzetting oogstten

ik hield mijn nek gestrekt
en op het teken van het derde kind
werden witte veren daargelaten
mijn vlees, was één met dat van hem
geworden

oh wonder groter wonder
morgen ben ik andermaal wie ik was
de sneeuwwitte (applaus)

Onder het rationele

Poëzie communiceert voordat het geheel begrepen wordt, op een
subrationeel niveau. Nog voordat wij kunnen zeggen waar het gedicht
over gaat, wordt een boodschap duidelijk. Je voelt waar het over
gaat. De dichter bewerkstelligt dat door ritme en klank.
En je weet ook dat je soms iets 'begrijpt' voordat je het kunt
vatten. Wat is er eerder? Taal of betekenis?
Ik herinner me een oude discussie met een taalkundige. We hadden het
over taal en betekenis en zijn stelling was: er is geen betekenis
zonder taal, maar ik had de intuïtie dat het denken ouder is dan de
taal, dat bewustzijn ouder is dan taal. Ik kon dat niet uitleggen,
maar later vond ik een bevestiging bij grotere denkers.

Je kunt denken aan muziek: we begrijpen de Moments musicaux van
Schubert bijvoorbeeld zonder woorden. Wat is de betekenis van muziek?
Ik voel dat het gaat over de kosmos waar we deel van uit maken en dat
de kosmische eenheid er een is van schoonheid, en misschien zelfs wel
van waarheid en goedheid, maar misschien hoop ik dat alleen maar.
Ik geef nu een voorbeeld uit een recente roman.
In 'Zaterdag' van Ian McEwan wordt het gezin van een hersenchirurg
geterroriseerd door een hufter die toevallig lijdt aan de ziekte van
Huntington, een ziekte waarbij de hersenen langzaam afsterven en
volgens McEwan lijden de patiënten aan plotselinge
stemmingswisselingen. De chirurg heeft per ongeluk zijn auto geraakt
en nu komt hij met zijn vriend verhaal halen, dat wil zeggen hij zet
de vrouw des huizes een mes op de keel en dwingt de dochter, van wie
de ouders niet weten dat zij zwanger is, zich uit te kleden. Hij zal
haar verkrachten en laten gebruiken door zijn maat, onder ogen van de
ouders. Het meisje heeft net een dichtbundel gepubliceerd. Het oog
van de patiënt valt op de bundel en hij vraagt haar pesterig een
gedichtje voor te dragen. Op stil advies van haar grootvader die ook
in de kamer is, draagt ze naakt met opbollend buikje, een bekend
Engels gedicht voor, niet van haarzelf. Ze kent het uit haar hoofd.
Het klinkt zo:

Dover Beach

The sea is calm tonight.
The tide is full, the moon lies fair
Upon the straits; on the French coast the light
Gleams and is gone; the cliffs of England stand,
Glimmering and vast, out in the tranquil bay.
Come to the window, sweet is the night-air!
Only, from the long line of spray
Where the sea meets the moon-blanched land,
Listen! you hear the grating roar
Of pebbles which the waves draw back, and fling,
At their return, up the high strand,
Begin, and cease, and then again begin,
With tremulous cadence slow, and bring
The eternal note of sadness in.

Sophocles long ago
Heard it on the Aegean, and it brought
Into his mind the turbid ebb and flow
Of human misery; we
Find also in the sound a thought,
Hearing it by this distant northern sea.

The Sea of Faith
Was once, too, at the full, and round earth's shore
Lay like the folds of a bright girdle furled.
But now I only hear
Its melancholy, long, withdrawing roar,
Retreating, to the breath
Of the night-wind, down the vast edges drear
And naked shingles of the world.

Ah, love, let us be true
To one another! for the world, which seems
To lie before us like a land of dreams,
So various, so beautiful, so new,
Hath really neither joy, nor love, nor light,
Nor certitude, nor peace, nor help for pain;
And we are here as on a darkling plain
Swept with confused alarms of struggle and flight,
Where ignorant armies clash by night.

(Matthew Arnold, 1822-1888) (1867)

De stemming van de patiënt slaat om en de situatie keert zich voor
het gezin ten goede. Even lijkt het of McEwan ons wil zeggen: poëzie
maakt gezond, poëzie redt, maar waarschijnlijk is het zo dat de
patiënt zich een jeugdliefde herinnert. Hij komt uit Dover. Maar dan
toch wel door het gedicht. Het spreekt hem aan op een diep niveau,
onder zijn rationaliteit.

Hoe communiceert poëzie?
Er is klank en ritme, maar die evoceren betekenis.
In het gedicht van Arnold (van rond 1880) is de beweging van het
water, heen en weer, het geratel van de kiezels tekenend voor een
gevoel van droefheid; eerder dan de uitspraak over de verschrikking
van het leven, de zinloosheid en droevenis, heeft de lezer,
luisteraar 'weet' van deze droevenis. Dat zit in het beeld, het
geluid, de beweging van de taal.

Helen Keller (1880-1952) werd op tweejarige leeftijd getroffen door
hersenvliesontsteking. Dagenlang zweefde zij tussen leven en dood.
Toen ze weer gezond was, moesten haar ouders constateren dat ze doof
en blind was geworden. Door haar grote intelligentie en lichamelijke
kracht terroriseerde zij het gezin. Zij kon zich niet uiten op een
niveau dat lag boven primitieve driften en wensen. Juist door haar
bijzondere aanleg voor taal, die pas bleek toen zij uit haar
geestelijke gevangenis was bevrijd, voelde zij zich opgesloten in een
kooi van stilte en duisternis.
Later schreef zij in haar autobiografie over deze tijd: 'Sometimes I
stood between two persons who were conversing and touched their lips.
I could not understand, and was vexed. I moved my lips and
gesticulated frantically without result. This made me so angry at
times that I kicked and screamed until I was exhausted.'
Haar geluk was de komst van Ann Sullivan, een jonge onderwijzeres,
die met eindeloos geduld het driftige kind leerde dat er voor haar
toch een communicatiemiddel was, via haar handen, en daarmee een weg
openbrak naar haar bewustzijn. Veel later schreef Helen Keller
boeken, promoveerde en reisde de hele wereld af om te pleiten voor
onderwijs aan doof-blinde kinderen.
Ann Sullivan schreef: 'Is is wonderful how words generate ideas!
Every next word Helen learns seems to carry with it necessity for
many more. Her mind grows through its ceaseless activity. New words
germinate and bring forth new ideas; and they are the stuff of which
heaven and earth are made.'

'Ik voelde aan de jurk van mijn moeder dat ze uitging', schreef de
doofstom-blinde Helen Keller, jaren nadat ze door Ann Sullivan
bevrijd was uit het donkere hol van de taalloosheid.
Er was dus bij de jonge Helen al symboolbewustzijn: dit (stof van de
jurk) betekent dat (uitgaan).
Hoe Ann Sullivan haar bevrijdde: zij hield de hand van het kind onder
de stromende pomp, steeds weer, terwijl ze de w van 'water' in haar
hand schreef, tot het kind begreep, zonder woorden: dit (de vorm van
de kriebel in haar hand) betekent dat (water).
Toen dat besef eenmaal was doorgebroken, leerde ze op één dag twintig
woorden en in de volgende weken nog veel meer. Daarna kon ze
communiceren met haar juf en uiteindelijk ook haar gevoelens en
gedachten uiten naar anderen. Ze promoveerde zelfs en schreef een
autobiografie.

Er is dus eerst betekenis en dan taal. Als er taal is kunnen
ingewikkelder concepten ontstaan en komt er dus meer betekenis. Het
hangt er natuurlijk van af hoe je betekenis definieert. Op een zeer
basaal niveau is betekenis niet veel meer dan een verwijzing van het
een naar het ander. Het is sterk verbonden met gevoel. Op een hoger
niveau vinden we betekenis in concepten, abstracties van de ervaring.
Op een nog hoger niveau kunnen we denken in gecodeerde formules.

Onlangs verscheen Splash van de neurowetenschapper en dichter Jan
Lauwereyns, waarin ik een bevestiging vond van bovenstaande overweging.
In de literatuurwetenschap is een discussie aan de gang, die ik hier
en nu vereenvoudig tot twee representanten: De Rooder en Lauwereyns.
De Rooder is literatuurwetenschapper en hij beweert in een essay 'Het
schandaal van de poëzie' dat poëzie neigt naar betekenisloosheid en
ook voortkomt uit betekenisloosheid. In navolging van Frits Staal die
Vedische rituelen onderzocht, zegt hij dat er eerst het ritueel is,
dan poëzie en dan pas gewone taal.
Lauwereyns falsifieert De Rooder in zijn boek 'Splash' en legt uit
dat er eerst betekenis is; het symbool, dan taal en dan pas poëzie,
een verhevigde vorm van taal. Poëzie neigt naar betekenisvolheid!

Helen Keller begreep zonder woorden dat de jurk symbool was van uitgaan.
De wortels van symbolische communicatie zijn terug te voeren naar het
moment dat een dier 'iets' begon te denken. Er is een werkgeheugen:
'pas op' denkt de rat die bessen wil eten, zonder woorden, maar die
eerder onder de struik een cobra heeft gezien. De neurowetenschap - u
begrijpt dat ik hier leen van Lauwereyns, maar het is in
overeenstemming met andere wetenschappers die u in deze weken heeft
gehoord - laat zien hoe dit mogelijk is. Er vindt een verschuiving
plaats van iets (het beeld van de slang) naar een ander iets (de
mentale representatie). In die gedacht zit de oervorm van de
symbolische verwijzing.
Uit neurologische proeven blijkt dat er hersenactiviteit bestaat die
getuigt van een op de toekomst gerichte voorkeur. Het primaire recept
van een emotie staat in een continue wisselwerking met abstractere,
vermoedelijk 'bewuste' representaties van gevoelens. Ook bij dieren!
Apen kunnen vergelijken, terugblikken en vooruitkijken.
Er is het vermogen om abstracte representaties te maken van dingen
die er niet zijn, die er niet meer zijn, middels symbolische
verwijzingen. Ook zonder taal!
Apen 'begrijpen' in experimenten dat een rood lichtje gevaar , een
groen lichtje beloning is. Sommige alarmkreten betekenen 'de boom in
- er komt een tijger', andere 'de boom uit -er komt een slang-.

Beeldrijm

HAREN

In Haren is een vrouw verdronken
nee, niet verdronken, weggezonken
langs het spoor. Ze heeft zich laten vallen
in de ruimte waar de trein moest rijden.

Trok ze 's morgens haar jas aan?
Heeft ze nog melk of thee gedronken?
Ging ze lopend of met een fiets
op weg naar niets dan vergetelheid?

En heeft ze gedacht aan de machinist
of was het zwart in haar hoofd
met alleen nog dat beeld van ijzeren
staven en komend het laatste geweld?

Ik denk dat in bovenstaand gedicht van mezelf klank en ritme de
tragiek en het ongeluk al oproepen voor de betekenis (geheel)
begrepen wordt. Dat zit niet alleen in de klank, ook in de betekenis
van losse woorden. Een klank alleen roept te weinig op.

In de eerste regels staat 'verdronken' en 'weggezonken': de 'onk'-
klank heeft een neergaand effect, dat nog herhaald en versterkt wordt
door 'vallen'.

In de tweede strofe staan vragen, alledaagse vragen, die door het
'zwart' in de derde strofe een tragische betekenis krijgen.

Het ritme van 'lopend of met een fiets / op weg naar niets dan
vergetelheid', in combinatie met het 'iets'-rijm geeft het effect
van onontkoombaarheid.

Het dreunende ritme van de slotregels laat al de komende trein horen:
de dwingende jamben: dat béeld, van íj, ren stá, en kó, het laát,
gewéld.
Heb ik dat allemaal bedacht? Nee, het werd ingegeven door me in te
leven in de situatie. Later heb ik een bepaald effect wel bewust
versterkt door nog een klank of een maat, maar pas op, niet te veel,
dan wordt het een techniekje.

Een ander voorbeeld, uit een gedicht van Bernlef uit de bundel
Stilleven (1979): hij beschrijft een jong meisje, slapend. Hij ziet
haar 'oksel / hol en leeg' en dan vervolgt hij in de tweede strofe:

'Alsof zij zo te wachten ligt / op een kleine witte tennisbal / met
zachte vacht alsof dit woord / straks bij het ontwaken / verbaasd en
naakt rechtop in bed / met zelf nog nauwelijks borsten / zal worden
uitgesproken en / de hele dag haar bijblijft / zoals haar lichaam in
haar jurk / op springen de maat en melodie / der dingen haar schots
en scheef / op straat beweegt.'

Het gaat eerst om de verzen 'verbaasd ... borsten' die horen bij het
meisje (zij), maar ik lees ook zo dat de verzen betrekking hebben op
het woord tennisbal. Hoe dat komt? De bepaling van gesteldheid '
verbaasd ... borsten' is taalkundig verbonden met woord, omdat, in de
metaforische situatie van het gedicht, dit woord de laatste
zelfstandigheid is vóór de bepaling. Bovendien is 'woord' het
grammaticaal onderwerp. Het zal worden uitgesproken. In 'normaal'
taalgebruik is het natuurlijk zo dat de lezer de bepaling verbindt
met zij (het logisch onderwerp). Zij spreekt bij het ontwaken,
verbaasd het woord uit. Zij ligt daar zo te wachten op de tennisbal
dat het woord 'tennisbal' zal worden uitgesproken. Maar de door de
lezer gelegde verbinding tussen de tennisbal en het verbaasd en naakt
rechtop in bed zitten functioneert wonderwel.

Er valt nog meer over te zeggen. Haar oksel is hol en leeg. Zij ligt
te wachten op de kleine bal met zachte vacht. Ik vind dat een heel
mooi verrassend en toch op een gekke manier logisch beeld. Je zou het
zo kunnen opvatten dat ze ligt te wachten op puberale haargroei, nog
zacht haar, blond. En even verder staat: 'met zelf nog nauwelijks
borsten'. De kleine bal functioneert als beeldrijm. En kijk en
luister hoe het verder gaat. Het woord tennisbal blijft haar
inderdaad en in de taal bij: luister hoe de tennisbal in het ritme
op en neer springt. Allerlei soorten rijm versterken dit: springen -
dingen, maat en melodie, schots en scheef, maat - straat, scheef -
beweegt. Zelfs de springerige syntaxis doet mee. Haar lichaam beweegt
haar schots en scheef op straat. Het tussenzinnetje is intrigerend:
de maat en melodie der dingen springen op. Haar jonge lichaam staat
ook op springen. Bal en lichaam passen prachtig in elkaar. Haar oksel
wacht op de kleine, zachte bal.

Als je zo met de dingen en de taal omgaat, als je zo kunt kijken en
schrijven, mag je een beeldend taalkunstenaar heten.

Metronoom en polsslag

Het verschil tussen metrum en ritme is als het verschil tussen
metronoom en polsslag. Ik wilde even schrijven: is als het verschil
tussen dood en leven, maar daar zou ik prachtig levende metrische
gedichten onrecht mee aandoen.
De metronoom is een mechanisch apparaat; de polsslag van een mens
wisselt met zijn stemming, maar de goede dichter weet precies, of
voelt precies aan wanneer hij of zij een anti-metrische plaats moet
laten horen.
Meteen maar een recent voorbeeld. Anton Ent las de 150 psalmen en
reageerde daar op. De verzameling is fraai uitgegeven bij de
Katholieke Bijbelstichting onder de titel Man van twee wegen. De
gedichten zijn zeer persoonlijk en zeker niet geschreven in een
orthodoxe mentaliteit. Bij uitzondering is gedicht 11, EEUWIGE EER,
een metrisch gedicht, in vijf-voetige jamben.

De scheepskist - donkerdicht en weggeborgen -
ademt een zoldergeur van heiligheid
raakt, sterker in zichzelf besloten,
het witte proviand aan niemand kwijt.

De luchter - eens verschoven en vergeten -
is in het kelderlicht dat niets vergeeft
een rijk van reinheid en zichzelf genoeg:
vorstin wie niemand audiëntie vroeg.

Heiliger wat ooit versplinterd is,
volkomen heilig de vernietiging.
Waar explodeert uw naam, dat ding?

Natuurlijk troont u op sacrale zangen.
Ik buig en zwijg tot ik verhuis.
Dan zal u eeuwig eer ontvangen.

Deze versmaat is zeer geschikt voor het Nederlands en dat is dan ook
de reden dat 95% van de metrische gedichten geschreven is in jamben
(twee lettergrepen: onbeklemtoond-beklemtoond.) De eerste regel gaat
zo - en voor het gemak zet ik een accent op de beklemtoonde
lettergrepen:
'De schéepskist - dónkerdícht en wéggebórgen -'
De tweede regel begint echter met een beklemtoonde lettergreep:
'ádemt een zóldergéur van héilighéid'

Het woord 'ademt' is hier van belang en de antimetrische klemtoon op
de a versterkt dat. Ook de derde regel begint met een klemtoon als je
de regel normaal leest, al past de hele regel in de viervoet, met een
naslag, een onbeklemtoonde lettergreep.
'raakt, sterker in zichzelf besloten,' De vierde regel is weer gewoon
een vijfvoetige jambe: 'het witte proviand aan niemand kwijt.'

In de zeventiende eeuw was Jacob Cats het beruchte voorbeeld van een
dichter wiens verzen steeds 'klopten', waardoor je bij het lezen
verviel in een dreun. (Het voorbeeld gaat over de ster van Bethlehem.)

Als Gódes wéerde Sóon, der ménschen wáren Hóeder,
Vercóos hier óp der Eérd' een Máget tót sijn Móeder,
En dát hy 't árme vólck genáde qúam aen-bíen,
Wert áen des Hémels thróon een níeuvve Stérr' gesíen:

Bij Hooft overkwam je dat niet:
(Het voorbeeld gaat over de opkomst van de zon.) De antimetrie is
'slaet', waarmee de handeling van het grijpen van de teugels (tomen)
van het paard voor de zonnewagen extra nadruk krijgt.

Wannéer de Vórst des líchts sláet aen de gúlden tóomen
Sijn hándt, en béurt om hóoch aensíenlijck úter zée
Sijn úitgespréide prúick van lévend góudt, waermée
Hij náere anxtvállicheit, en váeck, en créple dróomen

In de moderne poëzie vind je het dode metrum bijvoorbeeld bij Jan Kal
en bij Jean Pierre Rawie, die beiden cliché's en oubolligheid niet
schuwen; het levende bij Jan Kuijper. Van alle drie een voorbeeld.

Figuurzagen
De líjnen díe ik óvertrék zijn héden,
na táchtigdúizend róndjes óp de klók
(zo óp de dág nauwkéurig dát ik schrók)
dezélfde áls ruim négen jáar geléden. (Jan Kal)

Idylle
Het régendé toen ík de tréin betrád
die míj uit stéeds dezélfde stéden
door stéeds eenzélfde régen hád geréden
naar stéeds dezélfde nóordelíjke stád. (Jean Pierre Rawie)

Het dwingende eindrijm, zonder enjambementen, versterkt natuurlijk
nog de dreun van het vers. Let ook op de door rijmdwang gekozen
oubollige woordkeus ('betrad').

Statica
Het wás een káttevél, 't miáuwde nóg.
't Híng áan een kóordje, mídden vóor de klás.
Ik hád de éboníeten stáaf; ik wás
de káttenmépper, ík die vóoralsnóg (Jan Kuijper)

De dichter maakt door het antimetrische 'miauwen' het kattevel extra
'levend'. Ook het voorzetsel 'aan' krijgt klemtoon, zij het in de maat.
Doods of levend dichten, metrisch of ritmisch - het verschil zit in
die kleine verschuivingen van beklemtoonde en onbeklemtoonde
lettergrepen. Klinkt het als een metronoom of voelt het als een
polsslag?

-----

Vlieger

Met de haren
in de wind.
De strikjes
onder elkaar.

Met een touw
om de nek.
En
aan de andere kant
een hand.

Emmy (12 jaar)

Hoe kwam Emmy op haren? Ze zag de vlieger met zijn staart en strikjes
en moest denken aan een vlecht.
In het tweede blokje gaat ze verder met de vlieger. Ze doet net of de
vlieger een mens is. Op de hoogte van waar bij mensen de nek zit ­
misschien heeft de vlieger wel een gezicht? ­ is hij verbonden met de
hand van iemand anders. De vlieger is gevangen. Degene die vliegert
dat hoeft Emmy niet te zijn - heeft hem in zijn macht. Hij of zij
zou hem kunnen laten gaan.

Als je dit tegen Emmy zegt, zou ze misschien verbaasd zijn. Als je
vraagt: 'Hoe heb je dit geschreven?', haalt ze haar schouders op en
zegt: 'Gewoon'.
Maar ze wilde vertellen dat de vlieger op een mens leek, met die
strikjes en dat haar en dat hij gevangen was. Dat je hem ook naar je
toe kon halen, dat moet de lezer zelf maar verzinnen.

Dichters kunnen heel goed stijlfiguren gebruiken zonder dat ze die
als zodanig kunnen benoemen, misschien wel zonder dat zij 'weten' dat
ze een stijlfiguur gebruiken. Zo kwam ik in gedichten van jongeren of
bij cursisten van een workshop regelmatig de apokoinou tegen. Als ik
uitlegde hoe die stijlfiguur in elkaar zat, zag ik de dichter blij
kijken. 'Ik wist niet dat ik zo knap was!' 'Dat is talent', zei ik
dan geruststellend. Het bekende voorbeeld komt uit de middeleeuwse
Ferguut, uit de verhalen rond koning Arthur: 'Ferguut heft sinen wech
genomen / in een foreest es hi comen'. Dus de ridder Ferguut zocht
zijn weg in een bos en hij is in een bos gekomen. 'in een foreest'
wordt dubbel gebruikt.
Het is wel zo dat het zich bewust maken van mogelijke stijlfiguren
het arsenaal van de dichter kan vergroten. Het is waarom schilders
musea bezoeken: hoe deden de meesters het? Daarom moet iedere dichter
zijn voorgangers bestuderen. Al was het maar om het anders te gaan doen.

Vrouwkje Tuinman schreef in 'Mouches volantes' ('oogvisjes' noemde
Willem Jan Otten die glasachtige vormen in je oog): 'Er is een
drijvende wereld tegen het licht in / bewegende wezens'. Hier is
'tegen het licht in' dubbel functioneel.

'Ogenstof' is de titel van Ottens gedicht:
'Kijk naar de hemel en haast je!
Visjes
onstuitbaar als een gedachte, ver-
sprongen
nog voor je ze ziet. (...)'

Otten laat de regels verspringen zoals die oogvisjes verspringen. Dat
heet ikonisch taalgebruik: er is overeenkomst tussen het getekende en
de betekenis.
In het citaat heeft het woorddeel 'ver' een dubbele functie: de
gedachte al ver weg en de gedachte is versprongen.

Bij Lucebert vind je de stijlfiguur heel veel. Ik kies een voorbeeld
waarbij de woorden 'ogen', 'ver' en 'woud' worden gebruikt: 'nimmer
nog gingen gouden ogen zo ver / in het blinkende woud hurken de
slapers'.
Je moet 'ver' eigenlijk twee keer lezen.

In de gewone omgangstaal tref je: 'Hij schreeuwde gruwelijk om te
horen'. Gruwelijk heeft hier een dubbele verbinding.

In de reclame voor een spaarbank via internet: 'Inter-net ietsje
meer', waarbij het woorddeel 'net' dubbel wordt gebruikt. Men maakt
ook wel gebruik van de zogenaamde haplologie: de versmelting van twee
gelijke op elkaar volgende lettergrepen. Soms zijn het hele woorden,
zoals in 'Wie kaas kiest Kollumer'. Als dat op een auto staat, die
voorbij gaat en je leest het, blijft het hangen in je hoofd, wat
natuurlijk precies de bedoeling is. Je wordt bijna gedwongen de zin
in zijn geheel uit te spreken: 'Wie kaas kiest, kiest Kollumer kaas'
en dan ga je weer terug naar de verkorte zin op de auto en weer heen
etc. In een andere reclame liet men de herhaalde woorden juist staan
vanwege het grappige effect: 'Wat Kan kan, kan Kan alleen.' (Kan was
een juwelier.)

Terug naar de apokoinou en de jonge dichters die zonder theoretische
kennis gedichten maken. Jessica (11 jaar) schrijft over de Vesuvius:
'Je gaat dood / door een gasbel of lava / krijg je een afgietsel /
lig je daar bloot'. Door een gasbel of lava ga je dood èn daardoor
krijg je een afgietsel van het lichaam.

Het is niet verwonderlijk dat men zonder theoretische kennis
metaforen, metoniemen en allerlei stijlfiguren schrijft. Tenslotte is
iedere taalgebruiker in staat de meest ingewikkelde constructies en
transformaties uit te voeren. Men kan passiefconstructies maken
zonder het woord te kennen. Er is de aardige anekdote van Molière
over de man die een briefje aan zijn geliefde wil schrijven, maar
het mag geen proza zijn en evenmin poëzie. Zijn vraagbaak zegt dat
het òf proza òf poëzie moet zijn. De man zegt: 'En als ik praat, wat
is het dan?' 'Proza'. 'Mijn hemel', zegt de man, 'heb ik heel mijn
leven proza gesproken en ik wist het niet!'

==

Dichtregel

Hoe komt iemand op het vreemde idee een pakje bakmeel tot stripfiguur te maken? Het gebeurde en tot mijn verrassing zag ik later in een zwembad een vrouw die sprekend leek op de stripfiguur.

En nu zag ik een filmpje over een Rotterdamse vuilnisman, Zijn vrouw was ook vierkant en zij zat aan tafel te lachen met een vriendin die er niet minder blokachtig uitzag. Ze rookten en dronken en Jos, de vuilnisman, leek er niet toe te doen. Hij praat met een kleinzoon en daarin lijkt hij gelukkig. Later in de film kleedt de vrouw Jos in het net en strikt zelfs een das en ze zegt tegen het kleinkind: 'Zo, nou is hij geen smerige vuilnisman meer.'

Weer later horen we van Jos dat het huwelijk ten einde is.

Wat is er gebeurd?

De gemeente Rotterdam heeft dichtregels op hun vuilniswagens laten zetten: allerlei bekende dichters leverden tekst. Er was een commissie die dat regelde. De commissie kwam op het idee om een wedstrijd uit te schrijven. Waarom zouden de vuilnismannen die dichtregels niet zelf kunnen maken? Vele mannen vinden dat onzin of gaan er van uit dat ze dat toch niet kunnen, maar Jos, die misschien toch al af en toe wat schreef, gaat de uitdaging aan. We zien hem ploeteren met een kladblok, met flauwe rijmpjes. We zien hoe collega's hem daarmee, tamelijk goedmoedig - tenminste wat we op de film zagen - plagen en hoe Jos zich terugtrekt. Er wordt geregeld dat Jos op bezoek gaat bij de baas van Poetry, Bas Kwakman. Deze geeft hem een stapel dichtbundels mee, maar Jos kan daar niet veel mee. Dan wordt een leeravond bij Anne Vegter geregeld en Jos wordt door zijn rechthoekige vrouw in het pak gehesen.

We zien hem met Anne praten. Anne doet haar best; ze is aardig en aantrekkelijk, maar ze houdt afstand.

En dan gebeurt het hartverscheurende. Jos komt tot inzichten en lijkt radeloos verliefd te worden op Anne. Hij ziet de onoverbrugbare afstand en de immense verschillen met zijn vrouw. Hij draagt later een gedicht voor over zijn vrouw; dat ging niet meer: 'het kruit was er uit'. Hij neemt afscheid van Anne en zegt: 'Ik gaat maar, anders blijf ik.'

Ik zie hem gaan en denk: ach... nooit zul je Anne langer dan een avond kunnen boeien.

Hij krijgt een eigen 'poepsnoeper' van de gemeente, wordt zelfstandig, bestuurt en ruimt en op dat vehikel met zuigslang staat die regel met Annes naam. Hoe kan dat? Of zei hij bij de deur Anne na? Was de regel al eerder door haar genoemd als voorbeeld. Is het niet gelukt met Jos? Zijn alle pogingen afgewezen. En hoe rijdt Jos dan nu rond met die 'poepsnoeper' en de regel van Anne?


=

Maria Barnas schrijft over een kunstenaar, die niet bij name genoemd wil worden. Hij heeft het te druk om aan promotie te doen. 'Ik lig niet op de atelierroute en ik heb geen netwerken.' Maria schrijft: 'Bij het uitspreken van 'netwerken' trekt hij een vies gezicht en begint met drukke gebaren een net van lucht te weven. Wanneer het is voltooid, smijt hij het in de hoek van de kamer en wrijft opgelucht in zijn handen. Wanneer hij niet kijkt, prop ik het net in mijn tas. Je weet nooit wanneer het van pas komt.'

Kijk, denk ik, dat is poëzie. Die kunstenaar, die dingen maakt omdat hij ze moet maken en die geen acht slaat op erkenning, laat staan roem, dat is mooi, maar de reactie van Maria, die het niet bestaande net in haar tas propt, die ontroert me. Dat komt, denk ik, omdat ze doet alsof het net bestaat en met een averechts (en geestig) opportunisme zogenaamd handelt.

==

Bijl

Poëzie moet geschreven willen worden, zij moet urgentie hebben. Men vraagt: 'wat is de dwingende noodzaak van dit gedicht?' Een kleine jongen antwoordde op de vraag waarom hij een gedicht had geschreven: 'Het moest er zijn.' Elke nieuwe generatie dichters met een manifest, een programma of een aandacht trekkende verklaring, een credo, stelt de eis van noodzakelijkheid. Poëzie mag geen versiering zijn, geen cadeautje, geen ijdeltuiterij.

Erik Jan Harmens zegt in Trouw van 23-5-2009 dat hij poëzie wil die op geen enkele manier vrijblijvend is; zij moet zich aan iets committeren.Wie wil dat niet? Wie wil flauwekul-poëie? Nonsensgedichten mogen, die kunnen immers zeer committerend of zelfs confronterend zijn. Maar het wereldrecord langste gedicht, ja, dat is onzin. Of dichters die op de markt gedichten in een toeter roepen. Het publiek haalt zijn schouders op of denkt: 'donder toch op ijdeltuit'. Een kilometer kunst in de dorpsstraat en dan in een kerk drie dichters laten voorlezen; het braderie-publiek wil de kerk wel zien, maar wat doen die mannen daar?

Erik Jan herhaalt het twee bladzijden lang: 'Ik wil poëzie die klaarblijkelijk geschreven moest.' Trapt hij open deuren in? 'Ik wil dat poëzie een reflectie is van de tijd waarin ze geschreven is' en dan noemt hij allerlei gebeurtenissen, grote en kleine, de brandende banlieues van Parijs, de moord op Pim Fortuyn tot 'de klacht onder mannen dat een Saab meer en meer op een Renault begint te lijken'. Urgentie?

Het lijkt een beetje mode te worden onder dichters te zeggen dat ze vaak zo moe worden van gedichten, dat ze een hekel hebben aan poëzie. Menno Wigman zei het op zaterdag 23-5 in de Ruïnekerk in Bergen, een beetje misplaatst ter gelegenheid van de ARH-penning-uitreiking aan Hester Knibbe. Hij pleitte voor urgentie, voor de schok van het lezen en hij liet gedichten van Gottfried Benn horen, uit 1912, 'Morgue'. Benn was arts en schreef over het snijden in lijken. Dat is bekend. Hij liet het estheticisme los, wilde alleen nog eenvoudige rauwe expressie. Er zijn meer vormen van urgentie aan te wijzen, minder spectaculair dan het vinden van een nest jonge ratten, in het lijk van een jonge vrouw, maar misschien van meer belang.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen