dinsdag 11 oktober 2011

Beeldspraak





Een klein meisje zei eens tegen mij: ‘De zon heeft een snor!’ ‘O ja?’, zei ik dommig. ‘Ja’, hielp ze, ‘allemaal stralen’ en ze ondersteunde de uitleg met een gebaar.
Conclusie: een kind weet wat een metafoor is, al kent het het begrip niet.
Een kleine jongen, maar het mag ook een meisje zijn, pakt een blokje hout en rijdt er mee als een auto. Hij of zij ondersteunt de vergelijking met broem-broem-geluid. Wat is hier het derde lid van de vergelijking? De vorm.

Beeldspraak is overdrachtelijk of figuurlijk taalgebruik. We onderscheiden daarbij metaforiek, metonymie, symbool en personificatie. Metaforiek berust op vergelijking. We vergelijken iets met iets anders op grond van overeenkomst.
De overeenkomst tussen object en beeld kan rijk of mager zijn. Bij de oude reclame: ‘Samson, een leeuw van een shag’ kun je denken aan de kleur, de kracht of het koninklijke, al zal men tegenwoordig liever wijzen op het dodelijke.
Arie van den Berg dichtte ooit: ‘die spotte met de lessen van de oude rot / ligt grauw gebald, ver van het leger: bont / en kraakbeen in een urn van vraatlust’ (uit: ‘uilen’). In dit gedicht noemt hij een uilenbal een ‘urn van vraatlust’. Een uilenbal is een braakbal en bevat de resten van gegeten muizen en andere prooidieren. De overeenkomst ligt dus niet alleen in de ronde vorm, maar ook in het betekeniselement ‘dood’. Bovendien legt de dichter met zijn van-bepaling de metafoor uit.

Hoe kom je van vergelijking naar metafoor? Een bekend voorbeeld hiervan is ‘het ijs is zo glad als een spiegel.’; een vergelijking met ‘als’. ‘IJs’ is het object, ‘spiegel’ is het beeld en ‘glad’ is het derde lid van de vergelijking, de relatie tussen object en beeld. Stap twee. ‘Het ijs is een spiege ’ is een vergelijking zonder als. Iedereen begrijpt dat het ijs met een spiegel vergeleken wordt.
Derde stap: ‘De schaatsers zwierden over de spiegel’. Alleen het beeld is over; de lezer begrijpt dat ‘ijs’ wordt bedoeld, ook door het gebruik van het woord ‘schaatsers’. In dit voorbeeld is de metafoor niet meer verrassend; het is een cliché geworden.

Hoe vind je een originele metafoor? Door niet te zoeken. Je kijkt naar de dingen, overdenkt gebeurtenissen, voelt een beweging en er komt een vergelijking bij je op. Dit wordt sterk bepaald door je lees- en leefervaring.
In een gedicht van Marjoleine de Vos vinden we oude en nieuwe metaforen voor het hart in één strofe:
‘Wat voelt dan, wat opent zich / namens mij die onbeholpen luistert / naar wat binnen stijgt of zinkt / als jij het niet bent, hart, onbestaanbare / meteropnemer, zetel van lukraak sentiment / naald die uitslaat en waarschuwt: het voelt.’
‘onbestaanbare meteropnemer’, dat kun je niet zo gauw bedenken.
Metaforen hebben we soms nodig om uit te leggen hoe onbegrijpelijk het allemaal is. Marjoleine de Vos vindt schrijnende metaforen, bijvoorbeeld in het volgende gedicht: ‘Vrouw met borsten van bloot marmer’. Hier is in één metafoor het verdriet, de onmacht, de kille verg eefsheid z— helder en naakt in beeld gebracht, dat bij de lezer de adem even stokt. Wat een moed om het persoonlijke verdriet z— in beeld te brengen! Niet sentimenteel, niet particulier, maar algemeen persoonlijk, zo algemeen dat het voor een lezer navoelbaar en merkwaardig genoeg herkenbaar is.

GESCHONDEN BEELD

De kleine hand op je huid is van een kind
maar er is geen kind, moeder, alleen
zijn hand vijf vingers laat je niet los.
Vrouw met borsten van bloot marmer
geduldig buig je naar de grond, zoek je
een zoontje maar het is te laat geworden
hoop je nog op zijn lieve kinderlijf.
Was hij er wel, de warme geborene
nu voorgoed verloren uit je armen?

Toch is zijn hand voor altijd bij je,
een al te zichtbaar teken, moeder
van een trouwe leegte, voedster
van niet te bewegen verlangen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen